Stel je een stadion voor met 8 miljoen mensen. En daarna een land met 3,5 miljard inwoners. Volgens een analyse van Oxfam stoot dat ene stadion evenveel CO₂ uit als dat hele land — misschien zelfs meer.1 Dat klinkt als een raadsel, maar het is de kern van een serieuze berekening over klimaatongelijkheid. Een berekening die klopt binnen de methodiek van Oxfam — maar die je wel met twee ogen moet lezen.

Hoe de rekening is opgemaakt
De rijkste 0,1% van de wereldbevolking: op ruim 8 miljard mensen zijn dat er ongeveer 8 miljoen. De armste 44%: zo’n 3,5 miljard mensen. Oxfam schat dat iemand uit de rijkste groep gemiddeld meer dan 800 kilo CO₂ per dag “verbruikt”; iemand uit de armste helft van de wereld rond de 2 kilo per dag.1 Pak de rekenmachine er even bij: 8 miljoen keer 800 kilo is vergelijkbaar met 3,5 miljard keer 2 kilo. Rekenkundig klopt het verhaal dus. De vraag is alleen wat er in de som zit.

Niet alleen jachten en straalmotoren
Hier begint de kanttekening. Voor gewone huishoudens telt Oxfam vooral consumptie-uitstoot: stroom, auto, vlees, vluchten. Maar voor de allerrijksten telt de organisatie óók de uitstoot die via hun beleggingen plaatsvindt — in olie-, gas-, mijnbouw-, chemie- en cementbedrijven. Volgens Oxfam komt 50 tot 70% van de voetafdruk van superrijken uit precies die investeringen.1 De foto van de privéjet is dus eyecatching, maar het echte verhaal speelt zich af op de beursvloer.

Wat de kritiek terecht vindt
Een aandeelhouder opent de schoorsteen van een staalfabriek niet zelf. Die uitstoot ontstaat in een keten van bedrijven, consumenten, werknemers, overheden en andere investeerders. De keuze om beleggingsemissies toe te rekenen aan vermogensbezitters is daarom een methodologische — en ja, ook een politieke — keuze, geen fysieke meting. Dat maakt de berekening niet waardeloos, maar wél een definitievraag: meet je gedrag, of meet je economische verantwoordelijkheid?
Er zijn meer haken en ogen. Gegevens over beleggingen zijn vaak onvolledig en gebaseerd op wat bedrijven zelf rapporteren. En gemiddelden doen niemand recht: binnen de rijkste 0,1% zit ook de gepensioneerde met een bescheiden autootje en een mondaine portefeuille naast de miljardair met drie jachten. Gemiddelden zijn, zoals de statistiekgrap gaat, gemiddeld misleidend.
Wat wél vaststaat
Haal de discussie over de definitie weg en er blijft een stevige kern over: mondiale CO₂-uitstoot is extreem ongelijk verdeeld, en wel naar vermogen. Onafhankelijk onderzoek van het Stockholm Environment Institute en het World Inequality Lab laat hetzelfde patroon zien — de hoogste inkomens- en vermogensgroepen hebben structureel veel grotere voetafdrukken dan de armste helft van de wereldbevolking.23 Aan die conclusie valt niet te ontkomen; alleen over de precieze omvang valt te discussiëren.
Hoe je het eerlijk zou formuleren
Een nauwkeuriger zin dan de schreeuwende kop is deze: “De rijkste 0,1% heeft een veel hogere directe consumptievoetafdruk dan de armste 44%. Als bovendien de uitstoot van hun beleggingen aan vermogensbezitters wordt toegerekend, komt hun totale voetafdruk volgens Oxfam boven die van de armste 44% uit.” Zo blijft de ongelijkheid overeind — en verdwijnt de suggestie dat één aandeelhouder persoonlijk alle fabrieken laat draaien.
Wie het echt waterdicht wil maken, rapporteert apart: directe consumptie-uitstoot, beleggingsemissies als schatting van economische verantwoordelijkheid, en zeggenschap over bedrijfsstrategie. En liever een bereik dan één exact getal, want de onderliggende data zijn nu eenmaal onzeker.
Bronnen
- Oxfam International — “A person from the richest 0.1% produces more carbon pollution in a day than someone in the bottom 50% produces all year” (rapport “Climate Plunder”, persbericht oktober 2025) oxfam.org ↩
- Stockholm Environment Institute — “The Carbon Inequality Era” (2020) sei.org ↩
- WID.world / World Inequality Lab — “Climate change & the global inequality of carbon emissions” (Lucas Chancel e.a.) wid.world ↩