Wat wij in Nederland eten, kopen en bewonen, kost land. Veel land zelfs: voor alles wat we dagelijks consumeren is ongeveer drie keer zoveel grond nodig als Nederland groot is.1 Dat schrijft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in het rapport Opties voor het verkleinen van de Nederlandse voetafdruk, dat op 19 oktober 2026 verscheen.

Een voetafdruk die vooral in het buitenland ligt
De cijfers geven te denken. Meer dan 60 procent van de landvoetafdruk van onze consumptie ligt buiten de Europese Unie. Voor de broeikasgasvoetafdruk is dat ruim 40 procent. En die broeikasgasvoetafdruk is bijna 40 procent groter dan de totale uitstoot die binnen Nederland zelf plaatsvindt.1 Wat we meten op Nederlandse grond, vertelt dus maar een deel van het verhaal.

Van alle consumptieonderdelen heeft voedsel verreweg de grootste biodiversiteitsvoetafdruk, gevolgd door wonen en energie.1 Voor de natuur elders in de wereld wordt vooral betaald met wat er op ons bord ligt.

Internationale afspraken en een kritische noot
De rapportage past in een breder kader. In 2022 spraken 196 landen binnen het VN-Biodiversiteitsverdrag doelen voor 2030 af. Actiedoel 16 vraagt landen onder meer om de voetafdruk van consumptie terug te dringen en voedselverspilling te halveren. In 2019 formuleerde het kabinet al de ambitie om de ecologische voetafdruk van de Nederlandse consumptie in 2050 te halveren. En de trend gaat de goede kant op: tussen 2010 en 2021 daalde de biodiversiteitsvoetafdruk met 20 procent en de landvoetafdruk met 18 procent.2
Toch is het PBL niet onverdeeld positief over het Nederlandse biodiversiteitsbeleid. De Nederlandse biodiversiteitsstrategie (NBSAP, 2025) legt volgens het planbureau vooral de nadruk op keuzes van consumenten, terwijl oplossingen in de hele productieketen mogelijk zijn. Ook missen in de strategie volgens het PBL beleid voor de eiwittransitie en afstemming met beleid voor internationale handel en ontwikkeling. In 2026 wordt op de COP17 voor het eerst getoetst of de nationale plannen wereldwijd voldoende zijn; volgens de analyse die het PBL beschrijft, schieten ze ook op actiedoel 16 tekort.1
Cijfers met een kanttekening
Voor wie met de cijfers aan de slag wil, is een kanttekening op zijn plaats. Voetafdrukcijfers zijn modeluitkomsten, geen directe metingen: de gehanteerde MSA-maat berekent biodiversiteitsverlies op basis van aannames over landgebruik. De samenvatting van het rapport geeft geen onzekerheidsmarges, en de trendreeksen lopen tot en met 2021 — recentere ontwikkelingen zitten er nog niet in. Het PBL wijst bovendien op mogelijke neveneffecten: een hogere opbrengst per hectare kan de landvoetafdruk verkleinen, maar de druk op de biodiversiteit juist vergroten, en zogenaamde rebound-effecten kunnen een deel van de milieuwinst tenietdoen.
Omdat het grootste deel van de impact buiten de EU plaatsvindt, zullen de belangrijkste open vragen dan ook over beleid gaan: neemt het kabinet na de COP17 een kwantitatief doel voor de voetafdruk op, en welke ministeries krijgen de verantwoordelijkheid voor ketenbeleid buiten Europa? Het rapport levert daarvoor de bouwstenen — de keuzes komen daarna.