Elk jaar krijgen in Nederland gemiddeld zo’n 3.724 mensen te horen dat ze de ziekte van Parkinson hebben. Dat blijkt uit de eerste landelijke bevolkingsstudie naar het aantal nieuwe patiënten, gepubliceerd in The Lancet Regional Health – Europe. Onderzoekers van Universiteit Utrecht en Radboudumc koppelden vier landelijke databronnen aan demografische en sociaaleconomische gegevens van het CBS.1 De uitkomst is opvallend: het aantal nieuwe diagnoses is stabiel – maar de verspreiding over het land is dat bepaald niet. En de verklaring ligt minder voor de hand dan vaak wordt gedacht.

Wat is er onderzocht?
De studie volgt de volledige Nederlandse bevolking van 2017 tot 2022: bijna 20 miljoen mensen, samen goed voor ruim 105 miljoen persoonsjaren. Nieuwe patiënten werden opgespoord met een nieuw algoritme dat vier onafhankelijke bronnen combineert: de landelijke sterfteregistratie (ICD-code G20), zorgverzekeringsgegevens (Vektis), ziekenhuisregistraties (DHD) en medicatiegegevens (anti-parkinsonmiddelen via apotheken). Pas wie in minstens één bron met hoge diagnostische zekerheid staat én anti-parkinsonmedicatie gebruikt, telt mee: in totaal 22.343 nieuwe diagnoses in zes jaar. De analyses draaiden in de beveiligde microdata-omgeving van CBS; de ruwe data zijn niet publiek, de kerncijfers wel.1
De cijfers: stabiel aantal, licht dalende incidentie
De gestandaardiseerde incidentie bedraagt 21,8 per 100.000 persoonsjaren (95%-betrouwbaarheidsinterval 21,6–22,1). Per jaar schommelt die tussen 22,9 (2018) en 19,5 (2020); van 2017 (22,6) naar 2022 (19,8) daalt de incidentie met ongeveer 12% (IRR 0,88; 95%-BI 0,79–0,97). De dip in 2020 valt samen met het eerste coronajaar, waarin diagnoses mogelijk zijn uitgesteld; daarna herstelt de incidentie deels (20,9 in 2021).1

Dat het totale aantal Parkinson-patiënten in Nederland (circa 63.000) toch groeit, komt niet door meer nieuwe gevallen, maar doordat mensen langer met de ziekte leven. Mensen sterven vaker mét Parkinson dan áán Parkinson.
Wie loopt het meeste risico?
Drie kenmerken springen eruit, en één bevinding gaat tegen de verwachting in:2
- Leeftijd: het risico stijgt sterk boven de 70 jaar; de incidentie piekt tussen 81 en 90 jaar (mannen: 150,3 per 100.000 persoonsjaren).
- Geslacht: mannen hebben bijna twee keer zoveel risico als vrouwen (landelijk 28,4 vs 15,8; ratio ~1,8); 64% van de nieuwe gevallen is man.
- Sociaaleconomische positie: opvallend is dat mensen met een hógere sociaaleconomische status vaker de diagnose krijgen — een bevinding die in de internationale literatuur omstreden is (eerlijker diagnostiek bij hogere inkomens speelt mogelijk mee).
- Verstedelijking: geen duidelijk verschil tussen sterk en nauwelijks verstedelijkte buurten.

Noorden versus zuiden — maar niet zoals verwacht
De ruimtelijke analyse (Bayesiaanse modellen op buurtniveau, 2.980 buurten) toont sterke geografische clustering (Moran’s I: 0,83; p < 0,0001): het risico varieert tussen buurten met een factor 2 (RR 0,66 tot 1,41). Ook per provincie zijn de verschillen groot: bij mannen loopt de incidentie uiteen van 31,4 in Groningen tot 23,5 in Zeeland, bij vrouwen van 17,2 in Friesland tot 9,2 in Zeeland. De noordelijke provincies en Utrecht liggen boven het landelijk gemiddelde van 21,8; Zeeland en Limburg zitten er duidelijk onder.13

En hier zit de milieu-relevantie: dit patroon komt niet overeen met bekende omgevingsindicatoren. De luchtkwaliteit in het noorden is juist relatief goed, en ook landbouwintensiteit en verstedelijking verklaren de verschillen niet. Dat sluit een rol van omgevingsfactoren niet uit, benadrukken de onderzoekers: milieufactoren werken vaak via blootstelling over minstens tien jaar, terwijl deze studie alleen het adres bij diagnose kent. Bovendien heeft elke factor afzonderlijk een klein effect — maar omdat vrijwel iedereen eraan blootstaat, kan de gezamenlijke invloed groot zijn.2
Wat dit betekent voor milieubeleid en onderzoek
De studie is vooral een aankondiging van wat nog moet worden onderzocht. Twee lopende onderzoeken bouwen hierop voort: OBO2 (RIVM, Nivel en IRAS/UU) naar ziekte en blootstelling aan bestrijdingsmiddelen in de leefomgeving, en PD-PEST (Radboudumc + IRAS), de grootste Nederlandse case-controlstudie naar Parkinson, die pesticiden en andere omgevingsfactoren op individueel niveau onderzoekt. Andere studies in Frankrijk en Québec vonden wél verbanden tussen intensieve landbouw met veel gewasbescherming en hogere Parkinson-cijfers.3
Conclusie
- Het aantal nieuwe Parkinson-diagnoses is stabiel: ~3.724 per jaar, incidentie licht dalend (21,8 per 100.000 persoonsjaren in 2017–2022).
- Het risico is hoger bij mannen, mensen tussen 75 en 90 jaar en mensen met een hogere sociaaleconomische status.
- Er is duidelijke geografische clustering: hoog in het noorden (Groningen, Friesland) en laag in Zeeland en Limburg — niet verklaarbaar met luchtkwaliteit, landbouw of verstedelijking.
- Vervolgonderzoek (OBO2, PD-PEST) moet uitwijzen welke omgevingsfactoren over lange blootstellingsperioden een rol spelen.
Dit artikel beschrijft feitelijke onderzoeksresultaten en trekt geen conclusies over beleid.
Bronnen
- Simões M, Peters S, Huss A, Darweesh SKL, Bloem BR, Vermeulen R — Incidence and spatial variation of Parkinson’s disease in the Netherlands (2017–2022): a population-based study. The Lancet Regional Health – Europe, 2026 (incl. supplement, CC BY) doi.org ↩
- Radboudumc — Onderzoek onthult regionale en demografische verschillen in parkinson in Nederland, persbericht 22 januari 2026 radboudumc.nl ↩
- NOS — Nieuw onderzoek toont aan waar en hoeveel parkinson er in Nederland voorkomt, 22 januari 2026 nos.nl ↩